Je bent niet ingelogd. Log in of registreer je

too young to die, too wild to live

3 plaatsers

Ga naar beneden  Bericht [Pagina 1 van 1]

Google

Google

too young to die, too wild to live Tumblr_ly2gawCFlW1r9vol9o1_500
~ too young to die, too wild to live ~
Zijn korte leven was lastig geweest. Het was moeilijk geweest, en hij dacht er liever niet meer aan. Alles lag achter hem. Hij was een vergeten individu. Zijn naam was uit de familie geschrapt. Hij bestond voor hen niet langer meer.
Hij vond het prima. Hij kon zich prima redden. Maar toen hij naar zijn magere postuur keek, trokken zijn mondhoeken naar beneden. Misschien ook niet. Hij was niet erg gezond te noemen. Zijn vacht was dof, zijn appeltjes waren aan het vervagen en zijn ribben kon je tellen. Maar verder voelde hij zich prima. Hij kon zich redden. Hij zwierf wat van hot naar her. Hij had geen doel meer voor ogen. Hij ging heen waar hij voedsel kon vinden. Hij liep mee met de rivier, of liet zich meenemen door de wind. Zijn leven was stil. En hij genoot van die eeuwigdurende stilte, waar alleen soms zijn eigen gedachten hem een verhaal hadden te vertellen - die hij al wist.
Boven zijn hoofd was de lucht wat grauw. Donkere wolken trokken langzamerhand samen. Er zat een buitje aan te komen, helaas. Hij hield niet van regen. Het maakte hem koud. En hij hield er niet van om koud te zijn. De wind speelde met de futloze slierten die over zijn hals vielen.
Toen zij hij plots koren, zo ver hij kon kijken. Overal koren. Hij keek zijn ogen uit. Het zwierde van links naar recht. Het wiegde mee in het ritme van de wind. Zijn oren schoten naar voren. Zijn amberkleurige ogen gingen wijd open.
Alsof hij verandert was in een veulen stoof hij toen naar de koren toe. Vogels vlogen op toen hij de 'grens' binnen stormde. Overal vlogen stukken koren in het lucht als hij voorbij denderde. De koren reek tot ver boven zijn flank, en kietelde zijn buik. Maar het deerde hem niet. Hij leek voor even herboren.
Toen hij natte plekken op zijn hals en tussen zijn billen en benen waren ontstaan, en hij spreekwoordelijk hijgde als een hond, hield hij op. Hij hapte een beetje van de koren op wat hij daarna tevreden tussen zijn kiezen verteerde. Hij was weer eens in één van de bijzondere gebieden waar hij kwam tijdens zijn reis. Hij kwam ze trouwens maar zelden tegen. Zijn leven was misschien een beetje saai.
Hij trok nog verder door het koren heen. Hij keek zijn ogen uit. Naar de krekels die op de toppen van de planten heen en weer bungelden. De vogels in de lucht. De nieuwe geuren die hij ontdekte. Hij genoot in volle teugen.
Opeens rook hij een geur van een paard. Als een reactie plofte hij neer op de grond. Het leek wel alsof iemand keihard ‘DEKKING!’ had geroepen. Zijn vacht leek op de kleur van het koren. Net een soort schutkleur. Hij maakte zich klein en spitste zijn oren naar geluid. Was dat nou, een paard?

Voor Chaitanya!


Chaitanya

Chaitanya
VIP

Al zo lang in Dreamhorses, hoeveel had ze er al van gezien? Niet veel. Dat wist ze, en ergens vond de merrie dat best wel slecht van zichzelf. Beelden van vroeger, iets wat inmiddels op een vorig leven leek, kwamen haar gedachten in dwarrelen. Het waren de plaatsen van vroeger, bij haar stam. De merrie voelde een steek toen ze het open veld voor zich zag waar haar mens en zij altijd hadden galoppeert. Dit gebied had ze op haar duimpje gekend. Bij slechts een simpel woord had ze direct begrepen waar ze moest zijn en kon ze ieder detail naar boven halen. Misschien was die plaats van vroeger, waar ze een soort geluk had gekend die ze had gekoesterd, nu wel onherkenbaar verandert. Als ze terug zou gaan, wat zou ze dan vinden?
De merrie betrapte zichzelf erop het niet eens zo interessant te vinden. Haar gedachten dwaalden af naar Desolate. Desolate, haar eigen partner. Dat was ook een soort geluk. En die had ze hier in Dreamhorses gevonden.
En nu haar thuis hier was, had ze zichzelf een beetje streng toegesproken en was ze op verkenning gegaan. Het had haar naar de korenvelden gebracht. Kende ze deze plaats eigenlijk al? Of was ze nu in de war met de prairie? De merrie was het vergeten. Maar het idee van al deze open plaatsen, deed haar binnenste pijnlijk kriebelen. Verlangen. Ze wist wel naar wat; opnieuw dwarrelde het beeld van het veld waar ze zo vaak met haar mens had gegaloppeerd naar boven. De merrie snoof. Ze stond aan de rand van de korenvelden, die stomme granen kriebelden haar buik. Ze had nooit zo van korenvelden gehouden. Maar nu was het anders. Nu zag ze het niet als een irritant, tegenwerkend en kriebelend veld vol met taai gras, maar als een open plaats vol wilderig geel (het had beter groen kunnen zijn, maar de merrie nam dit maar voor lief) dat haar uitnodigde. Uitnodigde om te komen rennen. Even al haar zorgen door haar manen weg te laten wapperen, haar neus in de wind te steken en haar neusgaten wijd open te zetten. Frisse lucht, vrijheid. Dit keer zonder haar mens op haar rug die zijn handen in haar manen verwikkelde, maar de Geesten hadden goed voor haar gezorgd de laatste tijd. Wat ze zich nu zou moeten voorstellen, was Desolate die aan haar zijde mee galoppeerde. Maar waar was hij? De merrie brieste. Nee, ook al was haar liefde hier niet, ze liet deze kans niet aan haar voorbij glippen. Briesend draafde de merrie verder het veld in, gaf toen een bok en stoof weg. Haar hoeven kletterden hard op de harde bodem, het zachte gekriebel tegen haar buik werd dringender doordat ze zo hard tussen het koren galoppeerde. Maar het gaf niet: ze voelde zich vrij. De merrie stak haar neus in de lucht en hinnikte luid. Gelukkig. Na een lange tijd.
Maar op het moment dat de merrie wat in de gaten kreeg, vertraagde ze haar pas en hield in. Haar neusvleugels stonden wijd, ze hijgde terwijl ze gespannen over het veld keek. Ja, daar, daar zag ze het. Een paard. De merrie bleef doodstil staan, nieuwsgierig, zag een vreemd paard galopperen. De wind draaide langzaam terwijl de merrie naar het dier keek. Hij was mager. Zijn vacht was dof. Leek ook te genieten van het open korenveld waar hij door galoppeerde. Het dier was jong en Chai vroeg zich af of het niet bij een kudde hoorde te zijn. Natuurlijk kon het best dat een paard hier in Dreho zonder kudde rondliep, maar het leek haar sterk dat zo'n jong, mager dier alleen ronddwaalde. En plotseling plofte het paard op de grond. De merrie gooide geschrokken haar hoofd omhoog, wat deed hij nou weer!? Zijn vacht leek op het koren; het enige waardoor Chai kon zien waar hij zich bevond, was het koren dat wild weggeslagen was. De merrie liet haar hoofd een beetje zakken en liep rustig en vol zelfvertrouwen naar het dier toe. Rustig genoeg om het dier de kans te geven weg te komen. Want zeg nou zelf: een jong, mager paard dat bij het opmerken van een soortgenoot wegdook... Dat wat niet iets dat er op wees dat hij het echt had met paarden. Maar of ze het fout had of niet zou ze snel genoeg achter komen.

Beetje flutpost :'D

Snuffeltje

Snuffeltje

trippelde achter de grote merrie aan"ben jij mijn mama?"vroeg ze met een schattig stemmetje.ze volgde de witte merrie op haar hielen.Snuffeltje wou beslist niet verdwalen omdat ze anders helemaal aleen was.Snuffeltje dacht ook dat de witte merrie haar moeder was.want vertel haar wat haar moeder was ook wit geweest en boven wonder had haar moeder een magis veulentje gekregen.Snuffeltje haar manen wapperde bij de zachtste wind briesje.zelfs als de wind stil lag bleeve haar manen waperen.haar oortjes gingen speels op en neer en haar staart zwiepte heen en weer voor de vliegen op afstand te houden.


EDIT MAGNIFICO: Dit is een gesloten topic, enkel voor één persoon bestemd. In dit geval is het Chaitanya, je kunt het zien in het bericht van de topicstarter. Gelieve niet meer op gesloten topics reageren, dat is een beetje vervelend voor mensen die in dit topic posten. Dit is de twééde keer dat ik je moet editen voor dezelfde reden, let er dus op!

Google

Google

too young to die, too wild to live Tumblr_m8o12jSWrC1rutbklo1_500
~ death smiles at us all. all a man can do is smile back ~
Als een leeuw die wachtte op het juiste moment lag hij in het koren verstopt. Ach, verstopt kon hij het niet noemen. En hij lag hier ook niet om zijn "prooi" te bespringen. Hij was verstopt om.. tsja, waarom deed hij dit eigelijk? Was hij bang? Misschien. Bang wat hem te wachten stond? Misschien een beetje. Eerder was hij benieuwd wie zijn pad kwam te kruisen. Eigenlijk was hij enkel geschrokken. Wat als het zijn oude kudde was? Was het mogelijk dat zij hem hadden achtervolgd? Nee, onmogelijk. Hij was verbannen. Zijn naam was uit de familie geschrapt. Er bestond voor hen geen 'Google' meer. Ze moesten het zelf weten. Geen Google betekende geen antwoord. Nooit meer zou hij met ze praten. Ook al was het hem opgedragen. Hij wilde het zelf niet meer.
Maar wie was het dan? Zijn neusvleugels stonden wijd open. Zijn oren gespitst. Hij hoorde dat langzaam passen dichterbij kwamen. Het koren kraakte onder de hoeven van het dier. Al raasde de wind in zijn oren, hij hoorde het paard duidelijk. Zijn hart klopte in zijn keel.
Opeens kwam een wit-grijs neusje laag over de grond zichtbaar. Hij had hem duidelijk hoog boven hem verwacht. Op de borsthoogte van het paard, maar hij hing laag bij de grond. Daar schrok hij weer van. Geschokt sprong hij opzij en hij snoof luid. Kort waren zijn gelige tanden en het wit van zijn ogen te zien, maar al snel was de onschuldige blik weer in zijn ogen. Hij sprong zo snel hij was neer gevallen, weer overeind. Hij keek de witte merrie wantrouwig aan. Hij kon het nu bedenken: Zich op zijn hakken omdraaien, of blijven staan en afwachten. Hij koos niets van beide opties. Hij bleef staan. Hij zei niks, hij deed niks. Alleen zijn amberkleurige ogen gingen heen en weer over de witte merrie. Ze leek niet gevaarlijk; maar je wist het maar nooit.
Uiteindelijk ging hij toch wat ontspanner staan, en zijn hoofd zakte naar beneden. Wat moest hij nu zeggen? Hij durfde niks te zeggen. Straks had het paard verkeerde bedoelingen, en was hij dom geweest om niet om te draaien en weg te rennen.
‘Hallo,’ kwam er toen schril uit zijn keelgat. Zijn stem was noch zuiver noch duidelijk. Een schorre klank was het geweest. ‘Hallo,’ zei hij toen duidelijker, iets zelfverzekerder. Als de merrie hem misschien niet had gehoord. Hij zette toch - uit zekerheid - een pasje of drie naar achteren. Zijn oren wantrouwend nog naar achteren. Zijn ogen niet in de ogen van zijn tegenstander gericht. Eerder naar haar hoeven. Naar het platgedrukte koren dat onder haar hoeven langzaam stikte.
‘Wat doe je hier?’ Hij was verrast over de brutaliteit in zijn stem. Misschien was het omdat hij nog een "puber" was. Hij kende de wereld nog niet. Hij was nog niet wijs, niet slim. En hij wist het van zichzelf. Eigenlijk was dat best wel sneu. Maar niemand kon hem leren. Hij moest het zelf maar uitvogelen.

Gesponsorde inhoud



Terug naar boven  Bericht [Pagina 1 van 1]

Permissies van dit forum:
Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum